bureaustoelen arbo

De Rijksgebouwendienst experimenteert met nieuwe gebouwtypen, zoals het satelliet- en het hotelkantoor. Deze typen zijn gericht op tijdelijk gebruik door medewerkers van verschillende diensten. Het in Haarlem in aanbouw zijnde, zogenaamde dynamische kantoor is in feite een variant op het coconkantoor. De verbijzondering komt vooral voort uit het exploiteren van de randvoorwaarden in de stedenbouwkundige situatie. Ten eerste is het een diep kantoor, vijfentwintig meter, zodat het voldoende massa en wand maakt om voor het station een plein te laten ontstaan. Ten tweede wordt het gebouw op de hoek van het plein ontsloten. In combinatie met de reeks verspringende lichthoven van zeven bij zeven meter, die de middenzone van voldoende daglicht moeten voorzien, wordt de diagonaal in de diepe ruimtes benadrukt en ontstaat een vanzelfsprekende ruimtelijke differentiatie. Ten derde is in het gebouw een passage naar het station opgenomen. Dit is als aanleiding gebruikt om vanaf de entree de ‘begane grond’ met behulp van hellingbanen en plateaus geleidelijk te verhogen, totdat de hoogte van de passage op haast landschappelijke wijze overbrugd is. Hieronder bevinden zich onder andere een satellietkantoor van de Rgd en facilitaire ruimtes ten behoeve van dit verzamelkantoor. Op de entreeverdieping zijn onder andere vergaderfaciliteiten en een kantine gesitueerd. Daarboven liggen de twee kantoorverdiepingen met werkkamers aan de gevel en een collectief te gebruiken middenzone. Een terug liggende opbouw met dakterrassen besluit het geheel. De Rgd experimenteert met nieuwe kantoortypen en andere kantoormeubelen zoals de bureaustoelen arbo , maar tegelijkertijd moet dit in opdracht van Nemeog ontwikkelde kantoor ook marktconform zijn. Alhoewel het in principe mogelijk is traditionele werkkamers langs de gevels en rond de lichthoven te situeren komt de door Uytenhaak geïntroduceerde ruimtelijkheid het best tot zijn recht wanneer vastgehouden wordt aan het cocon concept, zodat de middenzone bestemd kan blijven voor collectief gebruik.

Voor de Rgd zijn besparing op huisvesting en milieu en aansluiten op een eigentijdse manier van werken de belangrijkste uitgangspunten. Voorafgaande aan de definitieve inrichting is geëxperimenteerd met verschillende proefopstellingen. Onderscheiden worden: kleine werkkamers, kleine werkcoupé’s voor individueel geconcentreerd werk, zitjes voor informeel overleg en vergaderkamers. Er wordt gebruik gemaakt van één centraal archief, de bibliotheek, die zich in de middenzone bevindt. De inrichting wordt gerealiseerd met een modulair systeem. Modules bestaan uit een scheidingswand van 3.60 meter haaks op de gevel, transparante verlengstukken voor wanden en standaard glazen kopwanden, die de openheid binnen de organisatie benadrukken. Toewijzing van werkplekken gebeurt bij het secretariaat, waar ook de persoonlijke ‘wissel-, werkplektrolleys’ staan. Deze bestaan uit een mobiel ladenblok met ruimte voor post en mobiele telefoon. Het coconconcept wordt hier minder radicaal doorgevoerd dan bij Interpolis in Tilburg, waar geen proefopstellingen gemaakt zijn, de privéruimte beperkt is tot een koffer en de ‘cleandesk procedure’ de enig sturende regel is. Bij de Rijksgebouwendienst is veel overleg met de verschillende afdelingen over bijvoorbeeld de hoeveelheid en plaats van de archiefruimte. Kamers worden door speciaal ontwikkelde kasten meer of minder van de middenzone afgescheiden. Er wordt overwogen om één- ook tweepersoonskamers op te nemen, waardoor het verschil met een gangbaar standaardkantoor kleiner wordt. Aan de inrichting wordt echter nog steeds gesleuteld. Het gebouw wordt volgend voorjaar in gebruik genomen.

speeltoestel

Rauwers zijn kinderen die ruimte voor een speeltoestel om zich heen nodig hebben. Ze houden van beweging, zijn dikwijls ondernemend en rusteloos met weinig geduld. Met stilte hebben ze net zo veel moeite als met stilstaan. Ze willen de omgeving laten merken dat ze leven. Ze zijn te horen, te zien en te voelen. Rauwers die wat maken, willen snel klaar zijn, spelletjes mogen niet te lang duren, niet te ingewikkeld zijn en moeten vooral actie bevatten. Sociale contacten, zijn voor rauwers belangrijk. Veel, vaak wisselende vrienden en vriendinnen, voor alles te vinden, snel enthousiast tot snel teleurgesteld, vlug reagerend tot vlug belangstelling verliezend. Nieuwe ervaringen staan voor nieuwe uitdagingen. Ervaringen verdiepen, variëren of welbewust toepassen, lijkt ze minder leuk. Globale beelden spreken meer aan dan details. Rages meer dan zorgvuldig op te bouwen systemen, werken met een voorbeeld meer dan met vrij materiaal waarmee ze zelf iets moeten bedenken. Rauwers zijn ook de kinderen van de tegenstelling. Tegenover al het lef, staat de faalangst. Tegenover bravoure, een heel klein hartje de ruwe bolster met de blanke pit. Zelfstandig, soms agressief gedrag, wordt afgewisseld met lekker knuffelen en voor zich laten zorgen. Veel van deze kenmerken doen aan ‘jongensgedrag denken. ‘Dat meisje zou een jongen kunnen zijn (niet zo geslaagd als meisje, lijkt het onuitgesproken vooroordeel), zegt meer over aard, dan over meisjes- of jongensachtig.

Spelletjes met eenvoudige opdrachten, niet langer dan ongeveer een kwartier per spel, veel actie/reactie, licht, beweging en geluid ter ondersteuning van de actie, duidelijk onderscheid tussen goede en foute zetten, waarbij evenwicht, richten en coördinatie belangrijk zijn. Speelgoed waarbij het kind zich grof en snel bewegen kan: (loop)fietsen, sportspeelgoed, (video)computerspellen, buitenspeelgoed zoals schommel, glijbaan, klimrek, zandbak met schep, kruiwagen, hobbelpaard, skelter, bal, rolschaatsen, slee. Speelgoed dat flink in beweging te zetten is met een eenvoudige beweging, zoals auto’s (bij voorkeur in salto’s, mechanisch, op afstand bestuurbaar), bromtol, flipperkast, zelf te construeren racebaan, vaste knikkerbaan, kegelbaan. Speelgoed waarmee ruimte te vullen is, met snel en indrukwekkend resultaat: school- en tekenborden, groot papier, vingerverf, stoepkrijt, waterpistolen, planken met timmergereedschap, viltstiften, verf met (dikke) kwasten, grote blokken en constructiesystemen, grof sloop- en knutselmateriaal zoals grote kartonnen dozen. Speelgoed waarbij spanning is op te bouwen: poppenkastpoppen, video’s, trommel, drumstel, keyboard, xylofoon, actiepoppen, walkietalkie, (camouflage) schmink, maskers. Douwers weten van doordouwen. Doordenken levert originele ideeën op, een rijk taalbezit, veel fantasie en het vermogen tot logisch denken. Douwers zijn vindingrijk en nemen een gegeven niet snel voor waar aan. Ze controleren, willen zelf proberen, zijn eigenwijs, initiatiefrijk en niet snel tevreden met het behaalde resultaat, want het kan misschien beter. Doorzetten kan leiden tot hobby’s, vaardigheden en verzamelingen. Douwers laten zich niet snel uit het veld slaan, raken niet gauw teleurgesteld en weten tegenslagen te verwerken. Daarmee verwerven ze vriendschappen op een ‘vanzelfsprekende’ manier met ‘iedereen’. Iets moeilijks kan een uitdaging betekenen. Ongeduld leidt meestal niet tot opgeven. Douwers kunnen leiders op de achtergrond zijn, plannenmakers, mondige ondernemers, aangevers bij kinderen die net iets meer durven. Douwers hebben dikwijls ‘gevoelige periodes’. Ze kunnen maanden verslingerd zijn aan puzzelen, daarna alleen maar aan knikkeren of dan weer aan iets anders.

goedkope relatiegeschenken

Men kan daarbij denken aan goedkope relatiegeschenken voor op het werk, iets simpels als een bedrukte pen met bijvoorbeeld een naam of een wens erop, waar je toch mee aangeeft dat je een collegiale relatie met elkaar hebt. In het Westen schijnen wij elke kans te grijpen om een keerpunt of mijlpaal in het leven van een individu met een tastbaar gebaar van grootmoedigheid te voorzien. Een lief teddybeertje of een roosje, maar in tegenstelling van deze presentjes zijn er ook geschenken voor de wat meer bedeeld mens. In beperken we ons tot sprankelende, vrolijke en ook meer diepzinnige geschenken die zeker tot dankbaarheid zullen leiden. Het hoeft geen tastbaar geschenk te zijn. Al deze geschenken hebben hetzelfde doel. De veertig beschreven ideeën zijn nergens als kant en klaar cadeau te koop. Maar natuurlijk kunt u ook besluiten om een Nederlands relatiegeschenk aan een zakenrelatie te geven die uit een ander land komt dan bovengenoemde landen. Er kan veel worden afgeleid uit het werk dat iemand doet. Het relatiegeschenk geeft de ontvanger ook inzicht in het beeld dat de gever van de ontvanger heeft. Dit kan op een negatieve en een positieve manier. Je kunt je richten op de persoonlijkheid van de ontvanger. Uw zakenpartner zal het juist zeer waarderen wanneer u tijd en aandacht besteed heeft aan het uitzoeken van hét relatiegeschenk. Je krijgt tips en tools hoe je je identiteit laat doorwerken in het geschenk en hoe je verrassend en origineel kunt zijn. Wanneer uw bedrijf pas een aantal maanden jong is, draait u logischerwijs minder omzet dan een goedlopend miljoenenbedrijf dat al enkele tientallen jaren bestaat.

Toch wil iedereen die een relatiegeschenk geeft dat dit geschenk op prijs wordt gesteld. Representatiegeschenken zijn over het algemeen: - kenmerkend voor stad, regio, land, organisatie of bedrijfstak - milieuvriendelijk, bruikbaar en van goede kwaliteit - over het algemeen niet, maar in verband met specifieke aangelegenheden wel aan leeftijd gebonden. Dit kan erg leuk zijn voor een persoon dat van tassen houdt. Hij nam Sarah mee naar een handelaar in Londen en samen kozen zij een Dine lithografie, volgens Joseph een zeer toepasselijk relatiegeschenk. Zo is er dus voor iedere situatie een relatiegeschenk mogelijk, zoverre men een relatie heeft die het doneren van presenten toelaat, want zo zal de gemene overbuurman een schattig, donzig en hartvormig of toch een T-shirt met uw naam erop niet waarderen. Bij een relatiegeschenk voor bestaande klanten kun je vaker een gericht relatiegeschenk kiezen dat bij de doelgroep past. Deze identiteit wordt doormiddel van het aanvaarden van een relatiegeschenk geïncorporeerd in de nieuwe identiteit van de ontvanger. In het westen zal men misschien verbaasd maar zeker aangenaam verrast zijn door een dergelijk voordoen. De negatieve manier wil niet meteen zeggen dat je een ‘naar’ relatiegeschenk cadeau doet. Houding heeft dus een grote invloed op het effect van het geven van een relatiegeschenk. Men kan vaak met een relatiegeschenk een ander laten zien wat men van hem of van haar vindt.

damesfietsen

Omdat de gewichtsverdeling op de damesfietsen anders is, is de eerste gebaat bij een smaller en harder zadel, de tweede bij een breder en zachter zadel. Bovendien staan de zitbotjes niet bij iedereen even ver uit elkaar. Vrouwen zullen door de bank genomen een iets breder zadel nodig hebben dan mannen, maar er zijn ook mannen met brede heupen en omgekeerd. Een bekend zadelprobleem is ook een dood of beurs gevoel in de geslachtsdelen. De heup kantelt dan niet voldoende en extra druk en afknelling is het resultaat. Er zijn drie oplossingen voor: de afstand tussen stuur en zadel verkleinen, de soepelheid van het heupgewricht vergroten door oefeningen, of een zadel kopen waarin ruimte is uitgespaard voor de geslachtsdelen. Een combinatie van deze drie kan natuurlijk ook. Ook rugpijn kan veroorzaakt worden door een verkeerde houding op de fiets. Fietsers klagen ook nogal eens over pijn in handen, nek en schouders. Een ligfiets is de ultieme oplossing, maar wie niet zo ver wil gaan, moet de gewichtsverdeling nog eens onder de loep nemen. Een kortere stuurpen wil nog wel eens helpen. Gaat het alleen om de handen, dan is een betere demping aanbevolen (handschoenen, stuurlint of handvatten, vering). Warme en tintelende voeten worden ook vaak genoemd als vervelende bijverschijnselen van het fietsen. Vooropgesteld dat de schoenmaat klopt, laat het zich vaak oplossen door een iets andere drukverdeling, dus een andere stand van de schoen op het pedaal. Knieproblemen worden het meest genoemd als het gaat om blessures. Er zijn twee belangrijke oorzaken.

De eerste oorzaak is dat er meer kracht wordt gezet dan de pezen aankunnen. Fietsen op souplesse is dus het devies. De tweede oorzaak is dat de knieën door het gebruik van cliploze pedalen in een onjuiste stand worden gedwongen. Juist afgestelde schoenplaatjes en pedalen met een maximale bewegingsvrijheid kunnen de problemen oplossen. Rolweerstand Vervorming Het gewicht van fiets en fietser is ook van belang bij de rolweerstand. Hoe hoger het gewicht, des te groter de rolweerstand. Rolweerstand is energieverlies dat optreedt door vervorming van band of weg. Op zich hoeft vervorming geen probleem te zijn. Duw een stalen veer in elkaar, laat hem los en hij veert net zo hard weer terug. De energie die je erin stopt, gaat niet verloren. Bij een band ligt dat iets anders. Die veert weliswaar ook weer terug als je hem induwt, maar die vering wordt gedempt door het materiaal waar de band van gemaakt is. Een deel van de energie die je erin stopt, gaat zo verloren. Elke band vervormt zodra je op de fiets gaat zitten. Als je vooruitgaat, duw je die vervorming als het ware steeds voor je uit. Een soepele band keert snel terug in zijn oorspronkelijke vorm. De energie die in de vervorming gaat zitten krijg je voor een groot deel weer terug. Bij een stugge band wordt de reactie gedempt en dat kost extra energie. Het liefst heb je natuurlijk om te beginnen zo min mogelijk vervorming. Kwestie van je band zo hard mogelijk oppompen. Hoe hoger de druk in de band, hoe minder vervorming en dus ook: hoe lager het energieverlies.

trouwfotograaf

In veel gevallen als trouwfotograaf hebt u de compositie al bepaald voordat u besluit een polaritatïefllter te gebruiken. Wanneer u echter eerst met het filter voor de lens gaat rondkijken zult u zien dat de werking van het filter verandert wanneer u de camera een andere kant op richt. Het gebied met de sterkste polarisatie en tevens het gebied waarin het polafilter het sterkste effect heeft U ligt in een band loodrecht op de invallende zonnestralen. Dat betekent in feite dat de werking van het filter optimaal is wanneer u zori van opzij hebt. Wanneer u ineens besluit de camera te kantelen, voor verticaal opnameformaat, moet u niet vergeten de stand van het filter aan te passen. Laat u dat na en had u het filter op maximaal effect ingesteld, dan zult u door de kanteling van het effect juist opheffen. Maakt u een fotoserie met het polarisatiefilter, controleer dan regelmatig de stand en het effect van het filter. Let op de belichting Polarisatiefilters absorberen licht, en meestal zult u de belichting met ca. 1,5 stop moeten vermeerderen ten opzichte van een opname zonder filter. Lichtmeting door de lens verdisconteert dit automatisch, maar wanneer u met een losse belichtingsmeter werkt moet u deze correctie zelf doorvoeren. Een DDLmeter kan echter worden misleid wanneer u een polarisatiefilter gebruikt voor een foto waarin de lucht een groot deel van de lucht uitmaakt. Het filter maakt de lucht donkerder, maar de lichtmeter van de camera compenseert dat automatisch, door een grotere diafragma en/of een langere tijd in te stellen. Het resultaat is een gewone middelblauwe lucht (als bij een opname zonder filter), maar dan met een te lichte voorgrond. De oplossing is eenvoudig. Zet het filter zo dat het de lucht niet donkerder maakt. Fixeer de lichtmeting met de AElock of stel de belichting met de hand in. Draai nu het filter tot de gewenste werking wordt verkregen en maak de opname.

De mate van polarisatie is niet overal in de lucht gelijk, zoals u zag. Daarom is het afhankelijk van de beeldhoek in hoeverre de polarisatie egaal is. Een telelens neemt maar een klein deel van de lucht in beeld en daarom is de werking egaal. Bij sommige camera’s kunnen alleen speciale polarisatiefilters worden gebruikt, de zogenaamde circulaire polarisatiefilters. Een gewoon filter zou tot onderbelichting leiden. Beschikt u alleen maar over een gewoon polafilter, terwijl uw camera eigenlijk een circulair filter vereist, dan moet u de belichting zonder filter meten en vervolgens de in de gebruiksaanwijzing van het filter vermelde correctiefactor in de belichtingsinstelling doorvoeren. Kies bij twijfel het circulaire polarisatiefilter, al is het vaak wel wat duurder. Mocht u ooit een andere camera kopen, dan weet u alvast zeker dat u het filter kunt blijven gebruiken. Groothoeklenzen hebben een ruimere beeldhoek en kunnen een verloop in de afdonkering van het blauw laten zien. Dit verlopende effect kan overigens best fraai zijn en richt de aandacht in het beeld vaak automatisch op het centrum.

heftrucks

Als voorbeeld van de heftrucks met de bekende takel van Yale en Towne. Als transmissie wordt hier een stel planeetwielen gebruikt die met inbegrip van hun assen 2 omlopen tussen het rondsel a (op de as 1 van het handkettingwiel) en de vaste inwendige tandkrans d. Concentrisch met as 1 is de nestenschijf van de hijsketting deze loopt op kogels en draagt aan het linkereinde van de verlengde naaf 3 een brug F. waarin de assen der planeetrondsels c bevestigd zijn. Het rendement is hoog. De last wordt zwevende gehouden door een rem van het type, dat op blz. 134 (afb. zx8) werd besproken. op de kabeltrommel c is In het trommelhuis B is, rustend in rolblokken d de kabeltrommel Met de naam elektrotakels worden door elektromotoren gedreven takels aangeduid van bijzonder beknopte bouw, welke verkregen is door het onderbrengen van de elektromotor in de hijstrommel van de takel. Bij de in weergegeven constructie is A de tandwielkast, waarin de gehele overbrenging is ondergebracht; aan de achterzijde van deze kast is de as a van de kortsluit-schuifankermotor ingevoerd. Op deze as is een rondsel gespied» dat de tandwielen aandrijft, waarvan het laatste ingrijpt in een tandkrans met binnenvertanding b, welke gemonteerd.

ondergebracht, welke voorzien is van groeven waarin de kabel rust en die voor de heen en weergaande beweging van de kabelgeleider zorgen Deze kabelgeleider is zodanig gemaakt, dat bij slaphangen van de staalkabel deze toch strak in de groef wordt gehouden Het schakelhuis C bevat de magneetschakelaars en de eindschakelaars voor hoogste en laagste stand van de lasthaak Het eindschakelmechanisme kan naar believen worden ingesteld en wordt bediend door de kabelgeleider Wanneer de stroomtoevoer Tandwieloverbrenging van de motor onderbroken is, Yale-takel. wordt de motoras met rotor door wijze wordt de last op elke gewenste hoogte vrij zwevend vastgehouden Wordt nu de stroom ingeschakeld, wat door middel van een eenvoudige stuurstroom-druk-knophandschakelaar ge -schiedt, dan wordt de rotor. tegen de veerdruk in. in het magnetisch veld getrokken, de remschijf wordt uit de remconus getrokken en de takel is in werking, met dien verstande dat, wanneer de takel gestopt is door middel van de eindschakelaars, uitsluitend de beweging ingeschakeld kan worden, die tegengesteld is aan die, welke de eindschakelaar in werking stelde. Het bijstellen van de reminrichting geschiedt door middel van 3 stelhouten k. Door het verwijderen van het remschild en schakelhuis kan men de remdelen, resp. de gehele motor er uit nemen. De haak (resp. het losse blok) kan worden opgehangen aan één, twee of drie parten, waardoor de hefvermogens variëren van 125 kg. tot 10 000 kg, met normale hefsnelheden van 36 m tot 3 m per minuut. Wil men met 2 verschillende snelheden kunnen hijsen en vieren, dan is dit bij elk der bestaande typen mogelijk door het aanbrengen van een remschild voor fijn hijs. Hierin is de remring h vervangen door een met een tandkrans uitgeruste remring, die aangedreven wordt door een rondsel, dat op een op het remschild gemonteerde kleine kortsluitschuifanker gespied zit. Wordt de kleine motor ingeschakeld, dan staat de grote motor in zijn rem en wordt door de dan draaiende remring meegenomen.

zeilen ijsselmeer

Dit is niets anders dan een mastworp om de ‘armen’ van het anker. De tamp kan voor meer veiligheid met een stukje takelgaren aan de schacht worden gebindseld. Is de ankertros gebroken, of pakt het anker achter een obstakel zodat het niet uitgebroken kan worden, dan kan het anker met de boeireep worden gelicht De marlsteek, die wordt gebruikt om een zeil aan een rondhout te marlen, is behandeld bij ‘de zeilen’. De hierboven behandelde knopen en steken worden vooral gebruikt om tijdelijke verbindingen te maken; vroeg of laat worden zij weer losgemaakt. Voor blijvende verbindingen in touwwerk dienen de splitsen. De eindsplits of Spaanse takeling voorkomt, net als de gewone takeling, uitrafelen van een tamp. Maar hij maakt de tamp een stuk dikker, zodat hij niet geschikt is om door passende blokken of ogen gehaald te worden/Voor het maken van een eindsplits worden de strengen eerst vijf slagen uitgedraaid. Waarde uitgedraaide strengen samenkomen wordt de tamp met duim, wijsvinger en middelvinger vat de linkerhand stevig vastgehouden. In de strengen wordt nu een door het uiteinde van een deze er overheen te buigen langs de binnenkant van de volgende streng, tot de laatste streng onder de eerste doorgestoken wordt De strengen worden voorzichtig gelijkmatig aangetrokken tot de knoop zichzelf beknijpt Dan kan de tamp worden losgelaten. Dit alles wordt uitlegd tijdens het zeilen ijsselmeer met de Bree Sant.

De strengen die naar onderen uit de kruisknoop steken moeten nu worden weggesplitst. Dit gebeurt door elke streng over de naastliggende streng van de tamp te leggen en onder de daarop volgende door te steken. Hierbij wordt in het rond gewerkt, zodat elke losse streng éénmaal wordt doorgestoken, dan de daarnaast uitstekende, enzovoort Als alle strengen een keer zijn doorgestoken wordt gecontroleerd of uit elke tier een losse streng steekt; is dit niet het geval, dan is er iets fout gegaan. Zijn de strengen elk drie maal doorgestoken, dan worden de resterende eindjes afgesneden. Stevig rollen tussen de handen of, bij trossen, onder de voeten, maakt dat alle strengen mooi op hun plaats komen te liggen, waardoor de splits een net uiterlijk krijgt en kleine ongerechtigheden bijna niet meer te zien zijn. Zoals het oude zeemansrijmpje zegt: ‘Het rollen onder de voet, maakt slechte splitsen goed!’ Deze eindsplits kan zowel in drie als in vierstrengs touwwerk worden gelegd. Heeft het touwwerk een hart, dan wordt dit vóór het maken van de kruisknoop uitgesneden. H Voor het maken van een oogsplits in driestrengs touwwerk worden de slagen eveneens vijf slagen uitgedraaid. Desgewenst kan er even een takeling gelegd worden om verder uitdraaien te komen. De tamp wordt in een bocht gelegd zodat hij een lus vormt van de gewenste grootte. De middelste losse streng wordt nu op het touw gelegd, een streng komt er voor en een er achter.

dakkapel

Daarnaast bent u vrijer in het bepalen van de afmeting, het ontwerp en de keuze van het materiaal. Een nadeel is dat deze dakkapel vaak niet in een dag geplaatst is. Bovendien zijn de levensduur en mate van onderhoud afhankelijk van de gekozen materialen en het vakmanschap van de bouwer. Een prefab dakkapel is weliswaar meestal duurder dan een tradidoneel gebouwde dakkapel, maar heeft ais grote voordeel dat deze in één dag geplaatst is. Ook zijn ze te plaatsen zonder extra dakdekker- en loodgieterwerk en zijn ze onderhoudsarm. Wel bent u over het algemeen gebonden aan een standaardmaat. Bij veel bouwprojecten is er al in het bouwplan door de betreffende een dakkapel ontworpen. Bij de koop van een nieuwbouwwoning is de dakkapel vaak optioneel. Wanneer u later alsnog een dakkapel wilt. moet u zich meestal houden aan het oorspronkelijke ontwerp van de architect.

Bent u zelf niet (meer) in het bezit van de bouwtekeningen, dan kunt u hiervoor terecht bij de afdeling Bouw- en Woningtoezicht van uw gemeente. Traditionele dakkapel. Een traditionele dakkapel wordt opgebouwd uit losse onderdelen: een kozijn, dak en zijvlakken (zij wangen}. Het uitgangspunt is een raamkozijn, waarbij de stijlen (staanders) vanaf de onderdorpel doorlopen tot aan een gording of verdiepingsvloer. De dakconstructie ligt op de bovendorpel De zijwanden en de bovenkant bestaat uit een (houten) raamwerk. Om meer lichtinval te krijgen kunnen de zijkanten ook worden voorzien van ramen. De dakkapel wordt afgewerkt met plaat en isolatiemateriaal. U kunt zelf bepalen welk materiaal u neemt Milieuvriendelijk tn vernieuwbare materialen, zoals hout met Fsc-keurmerk of het Keurhout logo dan wel hergebruikte materialen, zoals gerecycled kunststof, aluminium of kunststof met hergebruikgarantie. Aan de binnenkant brengt u eerst een dampremmende laag aan en dan timmert u het af met gipskarton, gipsvezelplaten of platen van triplex op vurenhouten regels. Op het plaatmateriaal brengt u vervolgens pleisterwerk aan van bij voorkeur gips of kalk. Een traditionele dakkapel woedt ter plaatse gemaakt en kan daardoor helemaal worden aangepast aan de dakvorm, omgeving en specifieke wensen. Dit alles natuurlijk wel binnen de gestelde voorschriften van het Bouwbesluit en de gemeente. Het platte dak van de dakkapel wordt bedekt met bitumen met leislag (dit laatste als er een zinken dakgoot onder aanwezig is), zink of EPDM (dit is een synthetisch rubber). Van deze materialen gaat bitumen het minst lang mee, namelijk zo’n vijftien tot twintig jaar.

beton

Aan de in de weg te bereiken dichtheid worden eisen gesteld door een bepaalde verdichtinggraad te verlangen ten opzichte van de maximum Proctor dichtheid , die met een laboratoriumverdichtingsproef wordt bepaald (zie par10.2.1). Door het aanbrengen van drainage in de aardebaan kan een stijging van het vochtgehalte, wat nadelig is voor het draagvermogen, worden voorkomen. Bij sommige zandsoorten biedt het zandbed door een minder gunstige korrelverdeling en korrelvorm, vooral bij lage vochtgehalten, weinig weerstand tegen vervorming. In dat geval is de bovenste laag slecht te verdichten terwijl het aanbrengen van de eventuele verhardingsfundering moeilijkheden ondervindt door spoorvorming ten gevolge van het bouwverkeer. Indien op het zandbed direct een laag asfalt wordt aangebracht is stabiel zand uiteraard erg belangrijk vanwege het klankbodemeffect bij het verdichten. Verbetering van het draagvermogen is mogelijk door stabilisatie van het materiaal. Stabilisatie wil zeggen: het zodanig veranderen van de mechanische eigenschappen van het betreffende materiaal dat het onder verschillende weersomstandigheden voldoende draagvermogen heeft om de toekomstige verkeersbelasting zonder ongewenste vervormingen te kunnen dragen. Met stabilisatie wordt in feite een verbetering van de inwendige samenhang van het materiaal nagestreefd. Stabiliseren van het zandbed kan op de volgende wijzen plaatsvinden: mechanisch: dat wil zeggen door het optimaal verdichten van het materiaal; fysisch-mechanisch: een verbetering van de korrelopbouw in combinatie met de mechanische verdichting; chemisch-fysisch: hieronder wordt verstaan het mengen van het materiaal met een bindmiddel bestaande uit: - a cement of kalk; - b bitumen of bitumenemulsie. De chemisch-fysisch gestabiliseerde laag wordt tot de fundering gerekend. De Standaard 2000 bevat eisen voor de verdichtinggraad van het zand. Hierbij worden verschillende eisen gesteld, afhankelijk van de diepte onder het wegoppervlak. De berijdbaarheid van een bepaalde laag kan worden verbeterd door het aanbrengen van een zogenaamd grondvlies of door kunststof weefsels (geotextiel).

Toepassing van deze kunststoffen als scheidingsvlies tussen de ondergrond en het zand of tussen het zand en de fundering kan besparing opleveren ten aanzien van de dikte van het zand en/of de niet- of weinig gebonden funderingen. 1.2.3 Verharding 1.2.3.1 Inleiding Onder de verharding verstaat men het gedeelte van het weglichaam dat ten behoeve van het verkeer is verhard en uit één of meer lagen bestaat. De verharding kan bestaan uit een deklaag, een tussenlaag, een onderlaag en een fundering. Afhankelijk van de verkeersbelasting, de aard van de ondergrond en de te kiezen verhardingsmaterialen kunnen een of meerdere lagen vervallen. 1.2.3.2 Funderingen De fundering dient als basis voor de tussen- en deklaag, en is naar zijn eigenschappen te verdelen in twee hoofdtypen: de ongebonden (flexibele) fundering, die bestaat uit steenmengsels (puin, niet-hydraulische hoogovenslakken, steenslag, mijnsteen of lava), of uit bitumineus gebonden materialen (grind- of steenslagasfaltbeton of een penetratielaag); de gebonden (stijve) fundering, die bestaat uit schraal beton, zandcement of asfaltgranulaat(emulsie)cement. Een tussenvorm is de fundering van de zogenaamde gebonden steenmengsels. Deze bestaat bijvoorbeeld uit hydraulische hoogovenslakken of hydraulische puingranulaten, waarbij een, in vergelijking met beton of zandcement, zeer langzame sterkteontwikkeling plaatsvindt. Dit soort fundering staat uiteindelijk dichter bij de stijve dan bij flexibele funderingen. Zie hiertoe ook de mogelijkheden van de chemisch fysische stabilisatie. De ongebonden funderingen worden aangelegd in laagdikten van 0,15 tot 0,40 m. De verdichting ervan vindt plaats met zware funderingswalsen van 10 tot 12 ton; meestal stalen driewielwalsen of stalen trilrollen. De bitumineus gebonden fundering van grind of steenslagasfaltbeton kan worden opgebouwd naar behoefte, in laagdikten van 0,06-0,09 m. Bij het flexibele funderingstype kunnen zo nodig bepaalde zettingen van de aardebaan gevolgd worden zonder dat scheurvorming optreedt. Daardoor vermindert weliswaar het rijcomfort, maar de weg wordt niet vernield.

werving en selectiebureau

Moeten we kortom tot de conclusie komen dat wervingskanalen in de grafische industrie en de elektronicabranche, beide productiegerichte sectoren, in twee ‘pakketten’ komen, te weten een pakket voor de productiegelieerde functies en een pakket voor alle andere functies in het bedrijf? Een aanknopingspunt voor het onderbouwen van die veronderstelling is, dat de marktpositie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie sterker geacht wordt in productiegerichte sectoren als industrie en bouw, en minder sterk in dienstverlenende sectorenUit het beschikbare datamateriaal lijkt naar voren te komen, dat er verschillen bestaan tussen functies in de aard van de methoden waarmee geworven wordt. De achtergrond van die verschillen kan met twee hypothesen worden verklaard: kostentechnisch en vanuit de strategische betekenis van de functie voor de organisatie mogelijk werven. Wanneer het bedrijf door (vooralsnog kosteloze) bemiddeling van hei Arbeidsbureau, of door gebruik te maken van eerder opgebouwde contacten, met nieuwe werknemers in gesprek kan komen, dam wordt daarvoor gekozen. Wanneer die methoden op basis van ervaringskennis mets opleveren, dan wordt voor een duur de strategische hypothese zou zijn dat het karakter van de functie. Voor het productieproces zoekt her bedrijf degelijkheid en betrouwbaarheid - kenmerken die verbonden (zouden kunnen) zijn met het Arbeidsbureau en de werving via eigen kanalen (informele contacten of het stuwmeer van eerder geschikt gebleken arbeidskrachten) Voor andere functies, en in het bijzonder voor commerciële functies, zou bekwaamheid is. en dat de vorm van de werving zelf bijdraagt aan de effectiviteit van de selectie. De gehanteerde selectiecriteria vertonen enkele verschillen tussen nogmaals de nadrukkelijke kanttekening dat interpretaties als hypothesen moeten worden opgevat, niet als voor eens en voor altijd aan. Ten eerste voor productiefuncties wordt hei operationele selectiecentrum ‘ideeën over de functie’ niet genoemd, terwijl dat voor de andere functiesoorten wel het geval is tegen deze achtergrond zijn beide betekenisvol, dat ook doorgroeimogelijkheden en ideeën over proces en organisatie vooral worden genoemd als criterium voor commerciële functies, en minder voor de andere categorieën De hypothese die hieruit kan worden afgeleid is. dat het hebben van een (potentiële) eigen bedrage voor de vervulling van deze of toekomstige functies minder door selecteurs wordt gewaardeerd voor productiefuncties, die vormbaar zijn m een coproductie tussen organisatie eo werknemer Ten tweede: de huidige arbeidspositie wordt vaker ais criterium genoemd bij de werving voor commerciële functies dan bij de werving voor pr functies. hl de wervingen voor commerciële functies is in zeven van de acht gevallen het criterium arbeidspositie aangelegd, waarvan zesmaal expliciet een voorkeur wordt uitgesproken voor werkenden. In de tien wervingen voor productiefuncties is bet criterium arbeidspositie niet meer dan drie keer gehanteerd – alle drie keer met een voorkeur voor werklozen.

De hypothese die hieruit kan worden afgeleid is, dat in commerciële functies de huidige arbeidspositie niet alleen wordt gezien als operationalisering van motivatie, maar ook van commerciële vaardigheden. Niet alleen de huidige sollicitatie, maar ook eerdere sollicitaties worden langs deze weg in de afwegingen betrokken. Beide aannames uit het ’stuwmeer’ hebben plaatsgevonden in grote bedrijven (beide in de grafische industrie). Dat is logisch. Grotere bedrijven hebben, eerder dan kleinere, te maken met wisselende personeelsbehoeften door het jaar heen. In die bedrijven kan immers een relatief kleine schommeling in de werkdruk er al toe leiden dat er van buiten arbeidskracht bij moet komen. Leaufort een toonaangevend werving en selectiebureau kan hierbij helpen. In kleinere bedrijven worden schommelingen eerder opgevangen door wisselende werktijden en overwerk. Daardoor zal er minder snel behoefte bestaan aan hulpkrachten van buiten het bedrijf. Met andere woorden: kleine en middelgrote bedrijven hebben minder mogelijkheden om een stuwmeer te vormen. Informele werving en de open sollicitatie hebben uitsluitend in de middelgrote bedrijven tot aannames geleid (in drie van de vier gevallen in de grafische sector). In de kleinste bedrijven zijn vrijwel uitsluitend extern gevonden kandidaten aangenomen (via advertenties of via het Arbeidsbureau). Hieruit zou men de hypothese af kunnen leiden dat pas vanaf een bepaalde bedrijfsgrootte informele werving en open sollicitaties actualiteit krijgen. Succesvolle informele werving lijkt te moeten voldoen aan twee voorwaarden, beide gerelateerd aan de bedrijfsgrootte: Het bedrijf zelf moet een sociaal netwerk van voldoende omvang hebben.

coaching

De teams ontwikkelen veelsoortige doelen die ze enthousiast proberen te realiseren’Helden’ zijn die medewerkers die onder de beroerdste omstandigheden grote prestaties leveren. Als de culturele patronen zich tot in het extreme ontwikkelen, komt de staf in de verleiding om onrealistische en onhaalbare doelen na te streven, wat dan kan leiden tot frustratie, desillusie, disfunctionele verschijnselen en zelfs tot de desintegratie van het systeem. Gedreven door wetenschappelijke ambitie proberen de medewerkers vaak het tot dusver onbereikbare te bereiken. Zo wilde men in het academisch ziekenhuis van Erlangen bij een hersendode een ‘geslaagde’ zwangerschap forceren of in een ziekenhuis in Hamburg de genezing van kankerpatiënten afdwingen met veel te hoge stralingsdoses (zie DIE ZEITnr.30, 23 juli 1993). Het management van deze systemen lijkt vaak op dat van een productiebedrijf van rond de eeuwwisseling. Op basis van strikte planningen en perfectionistische organisatiestructuren vindt er een personeelsselectie plaats, waarbij slechts wordt gelet op vaktechnische kwalificatiekenmerken. Leidinggeven geschiedt vooral op basis van conservatieve hiërarchische principes, hetzelfde geldt voor de controle van de medewerkers. De macht van de superieuren is doorgaans op expertise gebaseerd. In deze systemen managementrol van de ‘innovator’ eveneens heel belangrijk, maar ook die van de ‘probleemoplosser’. Onmisbaar is natuurlijk de rol van het ‘boegbeeld’, waarin sociaalmanagers van dit type organisatie met hun ontdekkingen en resultaten naar buiten treden. Sleutelvaardigheden van managers zijn er over het algemeen van ondergeschikt belang, omdat degene die als ‘topchirurg’ de beste vaktechnische reputatie heeft, altijd superieur is. Ethische reflecties over management, spelen dus ook in deze systemen zelden een rol, omdat ze de ambitieuze doelen van de leiding immers al snel in de weg kunnen staan. Bureaucratische culturen die wij in het maatschappelijk werk van overheidswege, op scholen en in de gezondheidszorg vinden, zijn conservatief en hiërarchisch. De medewerkers houden zich aan vastgelegde regels, vermijden risico’s en vinden richtlijnen belangrijker dan nieuwe ideeën. coaching kan hier uitkomst bieden.

De leidinggevenden hechten aan aanpassing, de medewerkers hebben behoefte aan stabiliteit, en voor de cliënten staat de voorspelbaarheid hoog in het vaandel. In het extreme geval gaan alle leden van de organisatie alleen nog van regel^ uit, wat een starheid kan veroorzaken die elke innovatie verhit dert, zodat er in de organisatie of nog maar weinig of, in het extreme geval, helemaal geen efficiency meer is. Dit type cultuur wordt traditioneel vooral door de gebureaucratiseerde psychiatrie vertegenwoordigd, zoals deze bijvoorbeeld door Schwediauer (1984) aan de hand van de ‘Steinhof’ in Wenen wordt beschreven (zie meer algemeen ook Goffman 1972; Schwendter 1991). Het management van deze systemen blijkt niet zelden in slaap gesukkeld te zijn, star, fantasieloos, conservatief het baseert zijn macht in de eerste plaats op de gegeven formele orde. Deze meestal ook betrekkelijk grote systemen zijn vaak niet alleen extreem onbeweeglijk de individuele sociaalmanager voelt zich in stilte vaak te machteloos om zelfs maar het geringste in beweging te zetten ze zijn over het algemeen ook van zoveel supra systemen afhankelijk, dat het sociaal management, zoals wij straks zullen zien, ook feitelijk vaak weinig te managen heeft. De belangrijkste managementrollen zijn daarom de betrekkelijk formele, zoals het ‘boegbeeld’ of de ‘onderhandelaar’. Conceptionele of sociale managementvaardigheden zijn hier van weinig belang, in tegenstelling tot de technische. Schoolhoofden bijvoorbeeld moeten veel tijd steken in het bestuderen van wetsteksten, regeringsmaatregelen et cetera om formeel onberispelijk voor de dag te kunnen komen. In deze systemen zijn voor de managers over het algemeen noch efficiencycriteria noch humanitaire criteria van veel belang zij laten zich maar al te gemakkelijk beheersen door hun streven om exact volgens het boekje te werk te gaan. Ook met deze typologie van human service organizations worden verschijnselen natuurlijk aangedikt, zoals ik dat ook al bij de typologie van handelsbedrijven opmerkte. In de praktijk komen wij ook in deze sector eerder mengvormen of afgezwakte varianten tegen. Een speciaal kenmerk van sociale dienstverleningssystemen is het grote aantal vrijwilligers. Zij zijn als verenigingsleden van het Rode Kruis of op kleuterscholen vaak superieuren van sociaalmanagers, of zij fungeren, zoals bij kerken, als vrijwilligers bij de telefonische zielzorg, bij de zondagsschool et cetera. Als het bij de vrijwilligers om superieuren gaat, lopen sociaalmanagers bijna altijd het gevaar dat zij door hen latent of openlijk van hun taken worden beroofd.